Toespraak bij de opening van de expositie “Niets is zonder waarde” in de parochiekerk St. Johannes de Doper Geboorte-Verrijzenis des Heren te Wageningen op 25 februari 2012 door pastoor Henri W. M. ten Have.

Toen ik nog niets van het werk van Hannelieke van de Beek gezien had, werd door een van de medewerkers van de expositiegroep al gezegd; het is erg mooi. En dat is letterlijk mooi meegenomen. Want er zijn bepaalde opvattingen van kunst, waarin kunst niet mooi hoeft te zijn, maar vooral de geest moet raken, (er zijn misschien zelf extreme opvattingen waarin kunst niet mooi mag zijn, maar dat is dan ook een extreme opvatting) maar als kunst ook mooi is, dan is dat meer mooi meegenomen. Het mooi-zijn (de schoonheid) van kunst is méér dan mooi meegenomen. Het hoort ook bij de innerlijke opdracht van kunst, nl om de transcedente schoonheid na te streven. Met de toevoeging ‘transcedent’ bedoel ik in dit verband dat het bepaalde klassieke normen en vormen van schoonheid overstijgt, dus dat het bv ook disharmoniërende elementen kan bevatten, wanneer die de waarheid (de authenticiteit) recht doen.

En inderdaad, al bij een eerste rondgang langs haar werk word je getroffen door de mooie kleuren zoals bij het werk “Stronk van Jesse”, “Naar het licht”en “Tussen hemel en aarde”. Maar volgens één van de vele definities van kunst, wordt kunst niet alleen gemaakt om de zintuigen, in dit geval de ogen te prikkelen, maar ook de geest bezig te houden.
 En ook daar is bij dit werk alle gelegenheid voor, en misschien wel bij uitstek omdat een van de inspiratiebronnen van de kunstenares, ook werken van de Geest zijn, en wel van de heilige Geest, zoals teksten uit de heilige Schrift, preken en liederen, die naast andere ervaringen, emoties en indrukken die door de kunstenares zijn opgedaan, en tijdens het werken met de materialen leiden tot vormen die niet door haar te voren bedacht waren, maar die ontstaan in proces van de vervaardiging zelf.  Het proces van de vervaardiging van het werk komt dan ook over als een letterlijk en figuurlijk verwerken, in zichtbaar werk vatten van emoties, beelden en ideeën. Heel in het bijzonder zien wij dat in het kunstwerk dat ook op de affiches van de expositie staat, het beeld van de verscheurde, gebroken Christus.

Dat proces van het verwerken van materiaal en inspiratie is een persoonlijk proces dat veel van de kunstenares zegt, maar ook door het persoonlijk karakter ook anderen weer persoonlijk kan raken en kan uitnodigen om op een nieuwe manier te kijken, naar de wereld, naar jezelf naar de mensen om je heen.
               Heel sterk komt dat tot uiting in het werk “Gedogen of bewogen”dat voor een belangrijk deel zijn inspiratie ontleent aan de tekst Ezechiël die spreekt over een nieuw hart van vlees dat de Heer in ons binnenste zal storten waar Hij het stenen hart zal wegnemen, een tekst die ook in de liturgie van de Paaswake voorkomt. Heel concreet zien we in dat werk het contrast tussen de rode levende kleur van nieuwe hart, en het koude versteende grijs en blauw erom heen. Het water en de leliestengel roepen ook een verwijzing naar de doop op, dat sacrament dat bij uitstek tijdens de paaswake gevierd kan worden. Voor mij komen bij uitstek in dit werk geloof en de werking van kunst samen. Want kunst nodigt ons uit, om met de ogen van een ander naar de werkelijkheid te kijken, met de ogen van de kunstenaar, en deze blikverruiming die een verrijking is, vernieuwt en verjongt een mens ook, net zoals dat hart van vlees een mens vernieuwt en meer mens maakt dan met een hart van steen.  

Ook de profeten en Christus zelf hebben vooral aan de hand van beelden, gelijkenissen en beeldspraken de mensen uitgenodigd om op een andere manier naar de werkelijkheid, om hen heen te kijken, en willen zo de harten van de gelovigen vernieuwen, de geest verruimen of om in taal van de liturgie te spreken, de harten te verheffen.
               Het bijzondere bij deze kunstwerken is, dat het niet gaan om een bepaald programma of een vooropgezette gedachte, maar om een proces waarbij de kunstenares zich laat leiden door het materiaal en de gedachten, herinneringen en associaties.

Doordat het in zekere zin niet bedacht is, in de zin van gepland, is er sprake van ‘een zich laten leiden’. Dat maakt dat het werk ook waarschijnlijk voor de kunstenaar steeds een verrijking en vernieuwing van hart is, omdat er ook een dimensie in zit van het ‘ontvangen’ en het ‘luisteren’. Deze dimensie herken ik ook in een gedicht van Ida Gerhardt. Het is het gedicht Koskos van Ida Gerhardt. Wat zij vertelt over het kijken naar de omgeving, het luisteren en het maken van een gedicht, deed me denken aan het maken van een kunstwerk. De kunstenares heeft mij verteld dat haar werk anderen de inspiratie heeft gegeven om teksten te schrijven die haar weer inspireerden bij haar werk. Ik laat mij niet verleiden tot het maken van een dergelijke tekst, maar wel wil ik graag een gedicht met u delen, waaraan ik moest denken bij het nadenken over deze kunstwerken

Kosmos
Het spel van lijn en kleur en van schakering
dat leeft in de natuur, het donker en het licht
-wetten van wisseling en wederkering-
ik vind het terug in het voltooid gedicht.

De groeiwijs van de plant, het levend zich ontvouwen
Van vorm na vorm, weer rusten in de regelmaat
die fijn vertakt door bloem en blad en stengel gaat,
is mij een teken dat het stil, geduldig bouwen

van woord aan woord gehoorzaamt aan eenzelfde streven
- Wij luist’ren: hoorbaar, op ons ademen bewogen
stuwende en gestadig is het eigen leven

verborgen arbeidend; totdat het diepst verlangen
tot rust wordt in het woord. Dan ligt voor onze ogen
de vorm, waarin het trillende is ingevangen.

Uit de bundel: Kosmos (1940)

De dichteres laat zien, hoe ook zij door luisteren en ontvangen tot de voltooide vorm komt. Ik wens iedere bezoeker toe, dat hij of zij door zien en ontvangen geraakt mag worden door wat uitgaat van de werken, en zo ook van hart(e) (met een hart van vlees) vernieuwd mag worden.